Rb. 's-Hertogenbosch 3 juli 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1246
Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op de aard van de Waterschapswet en de geschiedenis van haar totstandkoming, worden aangenomen dat de wetgever slechts een belastingheffende bevoegdheid aan de waterschappen heeft willen verlenen voor zover daarmee tot dekking kan worden gekomen van de kosten die voor het waterschap voortvloeien uit de aan hem rechtstreeks in de Waterschapswet opgedragen publiekrechtelijke taken. Met die bedoeling van de wetgever is strijdig de kennelijke opvatting van verweerder dat hij ook in een geval als het onderhavige, waarin het Waterschap het beheer van de IBA op grond van een overeenkomst met de gemeente op zich heeft genomen, aan de Verordening de bevoegdheid kan ontlenen tot het opleggen van de onderhavige aanslagen. In zoverre is het Waterschap immers gelijk te schakelen met de particuliere bedrijven die het beheer van de IBA hebben uitgevoerd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien verweerder wel de bevoegdheid toekwam tot het opleggen van aanslagen verontreinigingsheffing, er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen grond was om tot heffing over te gaan. Het doel van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) is immers het beschermen van het oppervlaktewater tegen verontreiniging. Voor dit geding staat vast dat de door eiser gebruikte IBA de daarin gebrachte stoffen in de bodem loost. Afvoer in het oppervlaktewater vindt derhalve niet plaats.
De uitspraak op rechtspraak.nl