Rb. 's-Hertogenbosch 26 maart 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW0047
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich onder verwijzing naar de verklaringen van onderzoek van bureau Documenten op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres overgelegde akte geen document is als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA. Uit die verklaringen blijkt genoegzaam dat en waarom bureau Documenten de legalisatie door het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken als zodanig vals heeft aangemerkt en om die reden de akte als vervalst heeft aanmerkt. In de door eiseres overgelegde brief van politieregio Brabant-Noord van 22 november 2010 en de verklaring van de Congolese ambassade van 23 februari 2011 ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van bureau Documenten onjuist is. Het onderzoek van de politie heeft geen betrekking op de legalisatie door het Congolese Ministerie van Buitenlandse Zaken, terwijl de verklaring van de Congolese ambassade enkel stelt dat de akte is opgesteld overeenkomstig de geldende legalisatie. Dat, zoals eiseres ter zitting heeft opgemerkt, zowel de Congolese als de Nederlandse ambassade niet heeft onderkend dat de legalisatie vals is, betekent niet dat verweerder gehouden is de akte aan te merken als een document als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA. Verweerder heeft ter zake van die wet een eigen verantwoordelijkheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl