Rb. 's-Hertogenbosch 14 december 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BU7824

De beide gedaagden zijn buren en hebben in 1968 garages achter hun woningen gebouwd. Naast hun woningen lag een braakliggend terrein van de gemeente. Zij hebben een strook grond op dat terrein gebruikt om langs hun woningen naar de garages achter hun woningen te rijden. Er ontstonden rijsporen. Over dezelfde strook grond heeft de gemeente in 1971 aan Essent een erfdienstbaarheid van weg verleend om een trafohuisje dat aan het eind van het braakliggend terrein lag te bereiken. Het braakliggend terrein wordt verkocht en er worden twee woningen op gebouwd, die elk meerdere eigenaren hebben gehad. De gedaagden zijn de strook grond blijven gebruiken en er is nooit contact met de gemeente of één van de eigenaren over dat gebruik geweest. In 2005 worden eisers de eigenaars van één van de woningen en zij vragen de rechtbank een verklaring van recht dat er geen erfdienstbaarheid van weg door verjaring op de strook grond is ontstaan en ook geen buurweg. De rechtbank oordeelt op grond van de wettelijke regels van het oude BW dat er onder dat oude BW (dus tot 1 januari 1992) geen erfdienstbaarheid van weg door verjaring kon ontstaan. Onder nieuwe BW (dus vanaf 1 januari 1992) kon dat wel. Er is echter geen erfdienstbaarheid van weg door verkrijgende verjaring ontstaan, omdat de gedaagden niet te goeder trouw waren, en ook niet door verliezende verjaring, omdat de verjaringstermijn niet is voltooid. Het nieuwe BW kent geen buurweg meer, het oude BW kende die wel. De rechtbank oordeelt dat, als er onder het oude BW een buurweg is ontstaan, deze o.g.v. artikel 160 Overgangswet nieuw BW na 1 januari 1992 blijft bestaan. Zij heeft dus te beoordelen of er vóór 1 januari 1992 een buurweg is ontstaan. De rechtbank somt de criteria voor het ontstaan van een buurweg op en oordeelt dat er in dit geval een buurweg is ontstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen