Rb. 's-Hertogenbosch 7 oktober 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BT7486

De wijziging van artikel 9.6 van het Besluit Inburgering heeft niet tot gevolg dat – in zijn algemeenheid – een gemeente kosten heeft gemaakt voor de uitvoering van de WIN waartegenover geen vergoeding staat. De aan artikel 9.6 van het Besluit inburgering ten grondslag liggende gedachte dat dubbele bekostiging onrechtvaardig is, komt de rechtbank niet onjuist voor. Evenmin komt het de rechtbank onjuist voor dat de regelgever deze dubbele bekostiging compenseert met latere vergoedingen en meer in het bijzonder door te bepalen dat gemeenten in 2006 afgegeven verklaringen, voor zover betrekking hebbend op beschikkingen die voor 2006 zijn afgegeven, niet mogen meetellen. In de situatie dat bij een individuele gemeente het aantal verklaringen waarover in 2005 dubbele bekostiging heeft plaatsgevonden lager ligt dan het aantal in 2006 afgegeven verklaringen waarvoor als gevolg van artikel 9.6 van het Besluit inburgering geen rijksbijdrage wordt toegekend, wordt die gemeente benadeeld. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat hij in die situatie per geval beziet of er aanleiding bestaat (een deel van) de kosten in afwijking van het Besluit inburgering alsnog voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wijze waarop de regelgever de eenmalige rijksbijdrage in zijn algemeenheid heeft vastgesteld alleen dan de rechterlijke toets doorstaan, indien verweerder het aldus door de betreffende gemeente geleden nadeel, dat wil zeggen het verschil tussen de compensatie (de in 2006 afgegeven verklaringen) en de dubbele bekostiging in 2005, volledig compenseert in de eenmalige rijksbijdrage. Nu is volstaan met een compensatie van 75% in plaats van 100% houdt het bestreden besluit geen stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen