Rb. 's-Hertogenbosch 7 april 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ3589

Toepasselijkheid en uitleg van artikel 1:336a BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de invoering van artikel 336a BW, regelende het zogenaamde blokkaderecht, vooral vooropstond het versterken van de rechtspositie van pleegouders, derhalve derden, niet zijnde ouders, die een kind met toestemming van ouders of voogd een jaar of langer in hun gezin hadden opgevoed. De tekst van artikel 336a spreekt evenwel niet van pleegouders, doch in meer algemene zin van "een ander of anderen dan zijn voogd" in wiens gezin het kind meer dan een jaar is verzorgd en opgevoed. Daaronder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de ouder te begrijpen die niet met gezag over het kind is belast. Onaannemelijk is immers dat de wetgever aan niet met het gezag beklede ouders - en dan zeker in die gevallen waarin geen sprake is geweest van een ontheffing of ontzetting - tegenover de voogd een zwakkere positie zou hebben toegekend, dan derden/verzorgers van het kind ex artikel 1:336a BW toekomt. Gedaagde heeft geen toestemming gevraagd aan eiseres tot wijziging van het verblijf van de minderjarige, noch heeft eiseres op indirecte wijze die toestemming verleend. Vordering afgifte minderjarige aan eiseres toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen