Rb. 's-Hertogenbosch 3 februari 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3137

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wmo is de gemeenteraad bevoegd te bepalen of een eigen bijdrage verschuldigd is voor aan de in deze bepaling omschreven persoon verleende maatschappelijke ondersteuning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad van die bevoegdheid met artikel 7 van de Verordening geen gebruik gemaakt, nu daarin is bepaald dat de aanvrager ‘mogelijk’ een eigen bijdrage is verschuldigd. Hiermee is de vraag, of een eigen bijdrage is verschuldigd, uitdrukkelijk open gelaten en is aldus niet voldaan aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wmo. De Verordening biedt derhalve geen grondslag voor het heffen van een eigen bijdrage. Verweerder heeft de eigen bijdrage, blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit, gebaseerd op artikel 4.1 van het Bmo. De rechtbank is echter van oordeel dat dit artikel niet de basis kan vormen voor het heffen van een eigen bijdrage ingevolge de Wmo, aangezien in artikel 15, eerste lid van die wet uitdrukkelijk is bepaald dat zodanige basis dient te worden vastgelegd door de gemeenteraad in een verordening, hetgeen gelet op het vorenoverwogene niet is geschied. Nu derhalve vastgesteld dient te worden dat de eigen bijdrage een wettelijke grondslag ontbeert, is deze ten onrechte door het CAK opgelegd. Het bestreden besluit, waarbij de aan eiseres opgelegde eigen bijdrage is gehandhaafd, wordt vernietigd wegens strijd met de wet en het primaire besluit wordt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb herroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen