Rb. 's-Hertogenbosch 14 december 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BO9636

Geschil hoofdverblijf kind van Nederlandse moeder en Australische vader In 2006 zijn partijen overeengekomen dat het kind tot juni 2011 zijn hoofdverblijf bij moeder in Nederland zou hebben, en daarna bij zijn vader in Australië. Deze overeenkomst is in de uitspraak van de Australische rechter vastgelegd. Moeder vraagt wijziging van die uitspraak. De rechtbank merkt het verzoek aan als een verzoek in de zin van artikel 1:253a BW, en oordeelt dat bij de totstandkoming van de overeenkomst is uitgegaan van onvolledige gegevens. Niet valt in te zien dat in 2006 een deugdelijke inschatting kon worden gemaakt van de ontwikkeling die het kind tussen 2006 en 2011 zou doormaken, noch ook van zijn belangen, bezien naar de situatie in 2011. Het verzoek van de vrouw is dus ontvankelijk. De rechtbank wijzigt de uitspraak van de Australische rechter. Het kind heeft belang bij continuering van zijn huidige leefsituatie. Scheiding van zijn moeder zal een traumatische ervaring zijn met mogelijk langdurig negatief effect op zijn emotioneel welbevinden en zijn persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling, temeer nu die ongeveer zou samenvallen met de start van de puberteit. Dat vader ook een goede opvoeder is, maakt dit niet anders. Vader kan zijn betrokkenheid bij de opvoeding van het kind invulling geven door gebruik te maken van de mogelijkheden die de omgangsregeling hem biedt, en door het contact met moeder over opvoedingsvraagstukken te intensiveren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen