Rb. 's-Hertogenbosch 21 september 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8177

Met betrekking tot de toepassing van artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het algemeen kan worden gesteld dat ziekte een normaal bedrijfsrisico is van een ondernemer en dat een inkomensdaling tengevolge van ziekte doorgaans als normaal is aan te merken bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Dit is slechts anders, aldus verweerder, indien de ziekte resulteert in een definitieve gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In dat geval is er sprake van een geheel of gedeeltelijk verval van de inkomensbron. De rechtbank acht verweerders standpunt dat sprake moet zijn van een permanente of definitieve arbeidsongeschiktheid, niet in overeenstemming met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, met het innemen van dit (rigide) standpunt, onvoldoende in ogenschouw genomen de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen van eiser ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank heeft verweerder (ten overvloede) in overweging gegeven om ten aanzien van de duur van de arbeidsongeschiktheid te onderzoeken of aansluiting kan worden gevonden bij de termijn als genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen