Rb. 's-Hertogenbosch 3 februari 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BL6591
In de hoofdzaak is een voormalig bestuurder van een vennootschap door de curator aangesproken voor het faillissementstekort van die failliete vennootschap. Er zijn twee incidentele vorderingen ingediend: een vordering ex artikel 843a/843b Rv en een provisionele vordering. De vordering ter zake de exhibitieplicht ex artikel 843a Rv is grotendeels afgewezen omdat er gelet op het feit dat in de hoofdzaak uitgebreid verweer is gevoerd in dit stadium van de procedure geen rechtmatig belang is bij inzage of afgifte van de gevraagde bescheiden. Bewijsvoordeel bij de wederpartij leidt nog niet zonder meer tot een rechtmatig belang bij exhibitie. De vordering ex artikel 843b Rv is afgewezen omdat de vordering zoals ingediend ziet op materie die door artikel 843a Rv wordt bestreken. De positie van een (gewezen) bestuurder in combinatie met de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid leidt niet tot het aannemen van een exhibitieplicht buiten het kader van artikel 843a Rv. Positie van curator brengt niet met zich dat op hem een bijzondere exhibitieplicht rust. De provisionele vordering tot betaling van een voorschot is afgewezen omdat het enkele feit dat gedaagde de kosten van juridische bijstand uit eigen vermogen moet financieren niet tot het oordeel leidt dat van gedaagde niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 85 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 210 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 25 Fw
- Artikel 249 Fw
- Artikel 2:138 BW2
- Artikel 3:15i BW3