Rb. 's-Hertogenbosch 26 augustus 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ6792
De hoofdelijkheid van schuldenaren doet er niet aan af dat er sprake is van te onderscheiden vorderingsrechten van de schuldeiser jegens enerzijds (het vermogen) van schuldeiser A en anderzijds (het vermogen) van schuldeiser B. Elke (hoofdelijke) schuldenaar kan zich dan ook beroepen op verweermiddelen die de verbintenis zelf betreffen, de verjaring van die verbintenis daaronder begrepen. Daarom zal de schuldeiser stuiting van de verjaring slechts kunnen inroepen jegens de hoofdelijk verbonden schuldenaar, aan wie de schuldeisers een stuitingshandeling als bedoeld in artikel 3:317 BW heeft uitgebracht of die een erkenning, als bedoeld in artikel 3:318 BW heeft gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl