Rb. 's-Hertogenbosch 11 juni 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ0750
Eiseres is op 1 september 1981 bij verweerder aangesteld in de functie van penitentiair inrichtingswerkster. Van 29 augustus 2003 tot 15 juli 2005 hebben bouwactiviteiten plaatsgevonden in de penitentiaire inrichting waar zij werkte. Op 22 maart 2005 heeft eiseres zich ziek gemeld vanwege longklachten. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende concrete omstandigheden heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat zij in substantiële mate is blootgesteld geweest aan stof tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de stofblootstelling op haar werk de afgelopen jaren heeft gezorgd voor een toename van de klachten van eiseres en de versnelde achteruitgang van de longfunctie mede kan hebben veroorzaakt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat hij wat betreft de blootstelling aan stof en/of het beperken van de nadelige gevolgen daarvan, zijn verplichtingen is nagekomen om voor het verrichten van de werkzaamheden van eiseres zodanige maatregelen te treffen als redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat bij eiseres in de uitoefening van haar werkzaamheden een achteruitgang van de longfunctie zou optreden. Uit hetgeen ter zitting is medegedeeld begrijpt de rechtbank dat verweerder niet aan de hand van verifieerbare bewijsstukken kan aantonen dat de nodige voorzorgsmaatregelen zijn genomen om stofoverlast te voorkomen. Nu vast staat dat eiseres vanwege een achteruitgang van de longfunctie schade heeft ondervonden, en die schade mede kan zijn veroorzaakt door een toerekenbare tekortkoming van verweerder als werkgever, acht de rechtbank verweerder in beginsel aansprakelijk voor de door eiseres geleden schade en dient hij deze schade aan eiseres te vergoeden. De rechtbank onderkent dat het exacte causale verband tussen de normschending door verweerder en de door eiseres geleden schade zich niet laat vaststellen, omdat sprake is van een combinatie van factoren die van invloed zijn geweest op de verslechtering van de longfunctie bij eiseres. Behalve de stofoverlast tijdens het werk, kan ook het rookgedrag van eiseres als oorzaak worden genoemd, alsmede een genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Uit de rapportage van het NCVB blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de invloed van de stofoverlast klein was in vergelijking met de invloed van het rookgedrag van eiseres. Dit is overigens ook niet betwist door eiseres. De rechtbank overweegt dat het op de weg van verweerder had gelegen te onderzoeken in welke mate eiseres is bloot gesteld aan stof en wat de invloed van dat stof is geweest op de achteruitgang van haar longfunctie. Nu verweerder daarnaar geen onderzoek heeft verricht en zelfs niet een begin van bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat de aanwezigheid van stof geen invloed heeft gehad op de achteruitgang van de longfunctie van eiseres, neemt de rechtbank aan dat de bijdrage van de stofoverlast op de werplek aan de achteruitgang van de longfunctie van eiseres in elk geval niet zeer klein is geweest. Er bestaat daarmee een schadeplicht voor verweerder. De rechtbank is, in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2006 (LJN: AU6092) en van de CRvB van 9 april 2009 (LJN:BI2805) van oordeel dat verweerder de door eiseres als gevolg van de verslechtering van haar longfunctie ontstane schade dient te vergoeden, met vermindering van de vergoedingsplicht van verweerder in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin de aan eiseres toe te rekenen omstandigheden tot haar schade hebben bijgedragen. Het is aan verweerder die gemotiveerde schatting te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl