Rb. 's-Hertogenbosch 10 september 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BF0469
Eiseressen (verzekeraars) hebben uitkeringen gedaan aan een aantal verzekerden bij wie woninginbraken hebben plaatsgevonden. De verzekeraars trachten in deze procedure de door hen geleden schade te verhalen op een tiental gedaagden. Deze gedaagden zijn door de politie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij woninginbraken. Een aantal van de gedaagden is in verband hiermee strafrechtelijk veroordeeld. De verzekeraars bepleiten primair dat sprake is van handelen in groepsverband (artikel 6:166 BW). Volgens hen behoren gedaagden allen tot één dadergroep die verantwoordelijk is voor alle woninginbraken van de verzekerden. De rechtbank oordeelt dat de verzekeraars een te ruime uitleg geven aan artikel 6:166 BW. Elke inbraak is een afzonderlijke onrechtmatige handeling waarvan moet worden vastgesteld wie van gedaagden daarvoor aansprakelijk is/zijn. Daarvoor moet sprake zijn van concrete betrokkenheid. In dat geval is sprake van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW en aan artikel 6:166 BW komt in een geval als het onderhavige dan ook geen zelfstandige betekenis toe. Vooralsnog is niet geheel duidelijk wie van gedaagden wel of niet betrokken is/zijn geweest bij welke inbraak en tot welke schade dit heeft geleid voor de verzekeraars. De verzekeraars wordt de mogelijkheid geboden hun vordering (en de gronden daarvan) aan te passen aan de subsidiaire grondslag van artikel 6:162 BW. Ten aanzien van één gedaagde (9) oordeelt de rechtbank dat door de verzekeraars onvoldoende is gesteld om te kunnen oordelen dat hij als heler of anderszins betrokken is geweest bij één of meer van de in de dagvaarding bedoelde inbraken. De vorderingen van de verzekeraars worden ten aanzien van deze gedaagde dan ook afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl