Rb. 's-Hertogenbosch 14 juli 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BE9398
In geschil is of verweerders schriftelijke mededeling een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waarbij wordt toegespitst op de vraag of de schriftelijke mededeling een rechtshandeling is, met andere woorden op enig rechtsgevolg is gericht. Daarbij is van belang de vraag of verweerder de bevoegdheid heeft om eiseres, die op grond van artikel 5 van de Wtzi is toegelaten als instelling voor prenatale zorg als bedoeld in artikel 16 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, ingevolge artikel 5a van de Wcpv te laten participeren in de uitvoering van de wettelijke taken in de jeugdgezondheidszorg van zijn gemeente. Indien verweerder daartoe niet bevoegd is, kan de schriftelijke mededeling van verweerder immers de rechtspositie van eiseres niet beïnvloeden en is het niet meer dan een informatieve mededeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder bovenbedoelde bevoegdheid niet heeft. Deze bevoegdheid is volgens de rechtbank, gezien de scheiding tussen jeugdgezondheidszorg en prenatale zorg, niet af te leiden uit artikel 5a van de Wcpv. De verwijzing in artikel 5a van de Wcpv naar artikel 16 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ moet dan ook berusten op een misslag. Verweerder heeft bovenbedoelde bevoegdheid ook niet, omdat eiseres niet staat vermeld op de lijst ‘Toegelaten instellingen zorg ouder en kind’, terwijl de rechtbank uit artikel 5a van de Wcpv en de aanhef van voornoemde lijst afleidt dat alleen de daarop vermelde instellingen door verweerder kunnen worden aangewezen om te participeren in de uitvoering van de wettelijke taken in de jeugdgezondheidszorg van zijn gemeente. De Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport heeft, gelet op artikel 5 van de Wtzi de bevoegdheid om instellingen op de lijst te plaatsen.
De uitspraak op rechtspraak.nl