Rb. 's-Hertogenbosch 11 augustus 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9909

De niet verschenen gedaagde, die bij verstek is veroordeeld, kan niet het rechtsmiddel verzet instellen tegen een vonnis als bedoeld in artikel 140, lid 2 Rv, maar slechs hoger beroep. Dat volgt tevens uit artikel 335, lid 2 Rv. Eiser dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzet. Opmerkelijk is dat artikel 339 Rv, dat handelt over de termijnen van hoger beroep, geen uitzondering maakt voor de achtergebleven medegedaagden die geen weet hadden van dagvaarding en veroordeling. In dergelijke gevallen kunnen die termijnen reeds lang verstreken zijn voordat de veroordeelde daar kennis van krijgt. Dat kan betekenen dat de regeling voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een aldus tot stand gekomen vonnis als bedoeld in artikel 140, li2 Rv in strijd komt met het beginsel van hoor en wederhoor zoals neergelegd in artikel 5 van het EVRM. Dat zou kunnen betekenen dat aan eiser alsnog de gelegenheid moet worden geboden gebruik te maken van het middel van hoger beroep, ook na de de termijnen van artikel 339 Rv, mits, naar in de rede lijkt te liggen, eveneens onder overeenkomstige toepassing en binnen de termijn van artikel 143 lid 2 Rv.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen