Rb. 's-Hertogenbosch 19 juni 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA7535

Bezwaar ex artikel 208 lid 3 Wetboek van Strafvordering ongegrond. Klager wordt verweten dat hij opdracht/leiding heeft gegeven aan de verkoop door een rechtspersoon van Duitse lottosystemen, terwijl die rechtspersonen niet beschikte over een ingevolge de Wet op de kansspelen (Wok) vereiste vergunning. De verdediging wil de getuigen bevragen over de verenigbaarheid van de Wok met het Eg-recht. De rechtbank is van oordeel dat deze casus valt binnen de reikwijdte van artikel 49-EG-verdrag. Artikel 1 Wok vormt een beperking van het vrije dienstverkeer als bedoeld in artikel 49-EG verdrag. De vraag of er redelijke aanwijzingen zijn dat de Wok in strijd is met EG-recht dient te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de Wok kan gelden als een gerechtvaardigde beperking in de zin van artikel 49 EG-verdrag. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin beperkingen van activiteiten met betrekking tot weddenschappen met het oog op de bescherming van consumenten, fraudebestrijding en beteugeling van goklust zijn aanvaard als dwingende eisen van algemeen belang, de uitgebreid gemotiveerde rechterlijke uitspraken, waarin werd geoordeeld dat er sprake is van een zogenaamd samenhangend en stelselmatig beleid met als gevolg dat de betreffende bepalingen van de Wok niet in strijd zijn met EG-recht en de uitgebreide verantwoording en weergave van relevantie feiten in de brief van de minister van Justitie als reactie op de ingebrekestelling, is de rechtbank van oordeel dat er geen redelijke aanwijzingen zijn dat de Wok, alsmede het uitvoeringsbeleid rond deze regeling, in strijd is met EG-recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen