Rb. 's-Hertogenbosch 15 maart 2005, ECLI:NL:RBSHE:2005:AT3108

Ten onrechte WWB toegepast. Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Met betrekking tot de intrekking- en terugvorderingsbepalingen is in de WWB noch in de IWWB sprake van een specifieke overgangsregeling, zodat de hoofdregel van het overgangsrecht geldt dat de nieuwe regeling onmiddellijke werking heeft. Ingevolge vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer de uitspraak van 23 december 1996 (USZ 1997/45)), houdt de regel van onmiddellijke werking in dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke, van de regel van onmiddellijke werking afwijkende, voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken van een betrokkene dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving, zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak, waarop de aanspraken betrekking hebben. Aanvankelijk was in artikel 6 van de IWWB, een specifieke overgangsregeling met betrekking tot terugvordering opgenomen. Deze is bij Nota van wijziging geschrapt (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 960, nr. 7, p.1). In de Nota naar aanleiding van het verslag (verder: de Nota) is opgemerkt dat door het schrappen van dit artikel, conform Aanwijzing 166 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de hoofdregel van het overgangsrecht weer van kracht wordt: de onmiddellijke of exclusieve werking van de nieuwe wet. Dit betekent volgens de Nota dat de nieuwe regels tevens van toepassing zijn op de reeds bestaande rechtsposities en verhoudingen op het gebied van terugvordering (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 960, nr. 6, p. 5-7). De rechtbank deelt deze laatste conclusie van de Nota niet omdat deze niet in overeenstemming is met de overwegingen van de CRvB in de voormelde uitspraak van 23 december 1996, waarin is aangegeven dat de regel van onmiddellijke werking slechts strekt tot beantwoording van de vraag op welke feiten en/of situaties de oude dan wel de daarop volgende nieuwe regeling betrekking heeft, waarbij het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe regeling het ijkpunt vormt. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit echter met betrekking tot de intrekking en terugvordering mede toepassing gegeven aan de WWB. Dit leidt er toe dat het besluit van 12 oktober 2004, voorzover het betreft de intrekking en terugvordering, reeds wegens een deels onjuiste wettelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen