Rb. 's-Hertogenbosch 28 februari 2003, ECLI:NL:RBSHE:2003:AF6289
Nu het beroep na inzage in medische stukken is ingetrokken is geen sprake van onrechtmatig besluit en is er derhalve geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. De juridisch adviseur van eiseres (werkgever) heeft in het kader van de beroepsprocedure met toepassing van art. 8:32.2 Awb inzage gehad in diverse stukken inzake de toekenning van WAO-uitkering aan een ex-werknemer. Eiseres heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure. rechtbank: Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2002 (gepubliceerd in USZ 2002/98 LJN AE0911) volgt dat aan verweerder niet met een beroep op art. 6 EVRM kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO. Ten aanzien van de proceskosten overweegt de Centrale Raad van Beroep in de voornoemde uitspraak dat, nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten nog dient uit te spreken, hij aanleiding ziet het uitvoeringsorgaan op grond van art. 8:75 Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van de werkgeefster. Deze jurisprudentie brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in een zaak als de onderhavige, waarin het verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO en waarin na toezending van de onderliggende WAO-stukken geen grieven meer resteren en het besluit in stand kan blijven, er geen aanleiding is verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank Maastricht heeft in een tweetal door eiseres overgelegde uitspraken van 26 juli 2002 (niet opgenomen) in de enkele omstandigheid dat de eisende partij beroep heeft moeten instellen om kennis te kunnen krijgen van de medische stukken, voldoende aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de door deze eisende partij gemaakte proceskosten. De rechtbank volgt dit oordeel van de Maastrichtse rechtbank niet. De door eiseres genoemde omstandigheid dat verweerder in de desbetreffende Maastrichtse zaken - en ook in enkele andere zaken - heeft berust in deze kostenveroordeling, maakt dit voor de rechtbank niet anders. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat geen sprake is van onrechtmatigheid van het bestreden besluit en dat verweerder ook overigens geen verwijt kan worden gemaakt. Verzoek afgewezen. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. A.A.H. Schifferstein
De uitspraak op rechtspraak.nl