Rb. 's-Hertogenbosch 28 februari 2002, ECLI:NL:RBSHE:2002:AE0410
Standstill-beleid ten aanzien van verdroging. Wet op de Waterhuishouding biedt grondslag voor verlenen van vergunningen voor handelingen, van invloed op grondwaterstand, zoals drainage. Afwijzing aanvraag voor vergunning voor het lozen van water door middel van drainagebuizen op het in de groene hoofdstructuur (verder: GHS) gelegen perceel van eiser. De Beleidsregels gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid van het waterschap Mark en Weerijs geven aan dat voor de GHS-gebieden wordt gestreefd naar minimaal een standstill van de verdroging en maximaal naar volledig herstel van de grondwaterstanden en kwelsituaties. Ingrepen binnen de GHS-gebieden zijn toegestaan indien deze in overeenstemming zijn met, of gericht zijn op, behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en specifieke doelstellingen. Tot de activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op de standstill van de verdroging wordt aanleg van drainage gerekend. Dit beleid is niet onredelijk te achten. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de Wet op de Waterhuishouding (verder: WWHH) de grondslag biedt voor het verlenen van vergunningen ter zake van handelingen - als het onderhavige aanleggen van drainage - die van nadelige invloed kunnen zijn op de grondwaterstand, nu bij Wet van 18 mei 1995, Stb. 1995, 294 (inwerkingtreding op 9 juni 1995), in art. 24 WWHH het criterium betreffende nadelige invloed op de grondwaterstand is opgenomen. De sloot die in het kader van de ruilverkaveling werd gedempt en daarbij gold als compensatie voor een in het kader van de ruilverkaveling nieuw gegraven sloot aan de rand van het perceel, kan in verband met de nadien aangelegde drainage niet nogmaals als compensatie worden aangemerkt. Mogelijk eerder gedempte perceelscheidingswaterlopen kunnen evenmin als compenserende maatregelen gelden voor de pas later aangelegde drainage. Slechts maatregelen die na de aanleg van de drainage zouden worden getroffen zouden naar het oordeel van de rechtbank als compensatie voor deze drainage kunnen gelden. Niet is aannemelijk gemaakt dat het voortbestaan van het bedrijf (vleeskalvermesterij) in gevaar komt door het weigeren van de drainagevergunning. Ongegrond beroep. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder. mr. E.F.G.M. Gelderman
De uitspraak op rechtspraak.nl