Rb. 's-Hertogenbosch 8 december 2000, ECLI:NL:RBSHE:2000:AA9231

Standpunt als bedoeld in art. 10.1 Tracéwet is geen besluit gericht op rechtsgevolg. Brief van de Minister van 21 juni 1999, waarbij is meegedeeld dat in het kader van de Tracéwetprocedure m.b.t. de besluitvorming over Rijksweg 69 (Eindhoven-Belgische grens) een standpunt is bepaald, inhoudende dat is gekozen voor het zgn. nulalternatief. Rechtbank: Verweerder heeft terecht aangenomen dat het schrijven van 21 juni 1999, waarin is weergegeven het standpunt als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Tracéwet, niet moet worden aangemerkt als een beslissing gericht op enig rechtsgevolg. Van rechtsgevolg is naar het oordeel van de rechtbank sprake wanneer het bestaan van zekere rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld. In casu is hiervan geen sprake. De omstandigheid dat door dit standpunt de aanleg van de Rijksweg 69 niet meer aan de orde is, kan niet als zodanig gelden. Het schrijven van 21 juni 1999 kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb. De rechtbank merkt op dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer ook de regering er kennelijk vanuit is gegaan dat de schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 10, eerste lid Tracéwet, inhoudende de beslissing het project niet verder in overweging te nemen, niet een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb zou zijn. De minister van Verkeer en Waterstaat te 's-Gravenhage, verweerder. mrs. P.H.C.M. Schoemaker, D.J. de Lange, L.C. Michon

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen