Rb. 's-Hertogenbosch 23 juni 1999, ECLI:NL:RBSHE:1999:AA4914
De procedure als bedoeld in art. 9a Les- en cursusgeldwet is een bijzondere, t.o.v. de bepalingen van de Awb omtrent bezwaar en beroep, exclusieve procedure, op grond waarvan bij uitsluiting de burgerlijke rechter bevoegd is. Ingevolge art. 9a.1 Les en cursusgeldwet (Lcw) maant de Informatie Beheer Groep, indien het bij of krachtens deze wet verschuldigde lesgeld voor het geheel of voor een deel niet tijdig is voldaan, de nalatige bij brief aan om binnen twee weken na ontvangst van die brief het daarin vermelde bedrag aan hem te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de Informatie Beheer Groep een dwangbevel uit. Verweerster heeft, omdat van eiser geen betaling voor het lesgeld werd ontvangen, ter invordering hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente en de invorderingskosten, met toepassing van art. 9a, eerste en tweede lid, van de Lcw, tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd. Tegen dit dwangbevel heeft eiser overeenkomstig art. 9a.3 Lcw verzet gedaan bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft eiser niet- ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat hij in het kader van de beoordeling van een dergelijk verzet niet mag treden in de vraag naar de verschuldigdheid van het lesgeld omdat de beantwoording van die vraag is voorbehouden aan de bestuursrechter. De Rb. deelt dit oordeel niet. De verzetprocedure lijkt voor bedoelde toets juist bij uitstek geschikt. De burgerlijke rechter heeft zich omtrent de verschuldigdheid van het lesgeld ook in een veelheid van verzetzaken uitgelaten. Het moet naar het oordeel van de Rb. dan ook ervoor worden gehouden dat de wetgever met de in art. 9a Lcw neergelegde procedure van verzet tegen het dwangbevel een bijzondere, en ten opzichte van de bepalingen in de Awb omtrent bezwaar en beroep exclusieve, procedure in het leven heeft geroepen, waarbij ook laatstgenoemde vraag aan de orde kan komen. Reeds gelet hierop is er geen plaats voor een afzonderlijke rechtsgang op grond van de Awb tegen de ingebrekestelling die voorafgaat aan het dwangbevel. Gelet evenwel op het bepaalde in art. 96a.2 WvBrv alsmede ter voorkoming van een negatief competentiegeschil, acht de Rb. zich gebonden aan het oordeel van de kantonrechter dat ter zake de Rb. bevoegd is een inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel te vellen. Ongegrond beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl