Rb. 's-Gravenhage 2 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0306
Aanvraag verblijf als adoptie- dan wel pleegkind. De rechtbank is van oordeel dat met de Adoption Deed niet is komen vast te staan dat door een overheidsinstantie het gezag over eiser aan referent is toegekend. Dat referent en eisers moeder onderling zouden zijn overeengekomen dat aan referent de zorg over eiser wordt toevertrouwd, maakt nog niet dat is voldaan aan het in artikel 3.14 aanhef en sub c, van het Vb genoemde vereiste dat het minderjarige kind feitelijk behoort en behoorde tot het gezin van de hoofpersoon en onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat. Hiermee is evenmin voldaan aan de voorwaarde van artikel 3.24 aanhef en onder a, Vb. Onbetwist is immers dat eiser in Pakistan niet deel heeft uitgemaakt van het gezin van referent. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag terecht getoetst aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.28 Vb. Uit de formulering van artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb volgt dat bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling die toelating tot Nederland als pleegkind beoogt in zijn land van herkomst een onaanvaardbare toekomst heeft, aan verweerder beoordelingsvrijheid toekomt. De rechtbank dient verweerders oordeel terughoudend te toetsen en zich te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid en met een toereikende motivering tot het gegeven oordeel heeft kunnen komen. Met inachtneming van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid met de in het besluit gegeven motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie waarin eiser in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft en dat derhalve niet is voldaan aan artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het vorenoverwogene volgt dat niet gebleken is van een gezinsband in juridische zin, tussen eiser en referent. Voorts is uit hetgeen eiser heeft aangevoerd niet gebleken dat eiser voor langere tijd bij referent heeft verbleven. Het feit dat referent geld opstuurt, maakt dit niet anders, nu de geldbedragen aan het hele gezin, waartoe eiser behoort, ten goede komen. Hiermee is dan ook niet aangetoond dat tussen eiser en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl