Rb. 's-Gravenhage 14 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6324

Ongewenstverklaring: Uit artikel 68 Vw en ook uit de overige ter zake doende bepalingen, waaronder artikel 6.6 Vb en het beleid in paragraaf A5/10.4 Vc, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een ongewenstverklaring door verweerder enkel kan worden opgeheven indien door de vreemdeling een daartoe strekkende aanvraag is ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een dergelijke aanvraag niet heeft ingediend. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bevoegd om ambtshalve de ongewenstverklaring op te heffen. Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat hij eiser vanaf de implementatie van de Terugkeerrichtlijn op 31 december 2011 niet langer ongewenst kan verklaren, resteerde verweerder als enige mogelijkheid het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring gegrond te verklaren en het besluit in primo van 29 april 2011 voor wat betreft de ongewenstverklaring te herroepen. De rechtbank zal het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van de ongewenstverklaring tot 31 december 2011, gegrond verklaren, het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 68 Vw en zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser tegen de ongewenstverklaring gegrond te verklaren, het besluit van 29 april 2011 in zoverre te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit van 17 februari 2012. Intrekking: Verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiser geen rechten aan artikel 13 van Besluit 1/80 kan ontlenen omdat hij niet onder artikel 6 en 7 van dat Besluit valt, mist gezien de hiervoor weergegeven passages uit de jurisprudentie van het Hof een deugdelijke motivering. Reeds hierom is het beroep gegrond en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten en overweegt in dat verband het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat eiser onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt en dat geen grond voor het oordeel bestaat dat eisers rechten op grond van Besluit 1/80 verloren zijn gegaan omdat hij definitief de arbeidsmarkt heeft verlaten. De rechtbank is niet bekend met specifiek beleid ter zake van de intrekking van de vergunning tot verblijf wegens openbare orde, zoals neergelegd in artikel 12, aanhef en onder c, Vw (oud). Verweerder heeft evenmin aangegeven welk beleid in een dergelijke situatie van toepassing werd geacht. Nu eiser in bezit was van een vergunning tot verblijf, die later is omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zal de rechtbank de vraag of sprake is van een nieuwe beperking beoordelen aan de hand van het hiervoor opgenomen beleid over de ontzegging van voortgezet verblijf in paragraaf A4/4.3.2.2 Vc 1994 en niet aan de hand van het beleid inzake eerste toelating. Uit dat destijds geldende beleid volgt dat een TBS-maatregel in 1993 niet werd betrokken bij de beoordeling of voortgezet verblijf kon worden ontzegd op grond van de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid. Ook indien dit op 19 september 1980, de datum van inwerkingtreding van Besluit 1/80, anders was en een TBS-maatregel wel in de Nederlandse regelgeving inzake de glijdende schaal was opgenomen, is dit beleid gelet op het vorenstaande nadien weer versoepeld. Op grond van het reeds aangehaalde arrest van het Hof inzake Toprak/Oguz betreft een aanscherping van een na 1 december 1980 ingevoerde bepaling, waaronder beleid, die een versoepeling vormde van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling een verboden nieuwe beperking in de zin van artikel van Besluit 1/80. Reeds hierom is in het onderhavige geval sprake van een met artikel 13 van het Besluit 1/80 strijdige beperking. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Inreisverbod: Uit de vernietiging van het bestreden besluit van 17 februari 2012, voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de verblijfsvergunning, volgt dat ook het daarin vervatte terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking komt. Dit heeft tot gevolg dat de grondslag aan het inreisverbod komt te ontvallen en dat het beroep tegen het besluit van 28 juni 2012 tevens gegrond moet worden verklaard. Daarnaast heeft verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet is afgezien van de uitvaardiging van een inreisverbod op grond van het bepaalde in artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen