Rb. 's-Gravenhage 10 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6314

Gezien het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen op het standpunt kunnen stellen dat op hem geen verplichting rust om af te zien van de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM. De rechtbank overweegt dat uit voormelde medische informatie, kort gezegd, blijkt dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de uitvaardiging van een inreisverbod geen behandeling kan verkrijgen in FPA Kompas, waar volgens zijn behandelaar een adequate behandeling van zijn PTSS en verslavingsproblematiek zou kunnen plaatsvinden. Wel heeft eiser ambulante gesprekken bij de GGZ, welke goed verlopen. Hoewel de huidige behandeling kennelijk niet optimaal is, is uit de stukken niet gebleken dat deze behandeling niet, dan wel onvoldoende adequaat is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aan het belang van eiser behandeld te worden in de FPA Kompas geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen bij de afweging van de betrokken belangen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien de afweging van belangen bij de vraag of de verblijfsvergunning van eiser kon worden ingetrokken, niet in eisers nadeel te laten uitvallen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verweerder niet heeft hoeven afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De gronden falen derhalve. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen