Rb. 's-Gravenhage 28 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9284

In artikel 5.1b van het Vb 2000 is limitatief opgesomd op grond van welke feiten en omstandigheden een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld. Deze bewaringsgronden zijn naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de gemachtigde van eiseres heeft betoogd, objectief van aard. Voor de beantwoording van de vraag of met betrekking tot een vreemdeling aan twee of meer in artikel 5.1, eerste lid, van het Vb 2000 vermelde gronden is voldaan, zal immers aansluiting gezocht moeten worden bij de feiten zoals die ten aanzien van die vreemdeling gedurende onder meer zijn verblijf in Nederland hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, en die betrekking hebben op zijn gedragingen en/of omstandigheden hier te lande die het vertrek van die vreemdeling uit Nederland (zouden kunnen) bemoeilijken. Met die feitenvaststelling is naar het oordeel van de rechtbank het objectieve karakter van de gronden zoals neergelegd in artikel 5.1b van het Vb 2000 gegeven. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen zoals ter zitting is verzocht. Het betoog dat het dragen van een groene jas ook feitelijk kan worden vastgesteld maar dat, als dit als grond zou worden opgenomen in artikel 5.1b van het Vb 2000, hiermee nog geen sprake is van een objectieve grond acht de rechtbank niet steekhoudend, reeds omdat het dragen van een groene jas door een vreemdeling geen feit of omstandigheid is die in de weg zou kunnen staan aan het vertrek uit Nederland.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen