Rb. 's-Gravenhage 20 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8652
Kort geding. Familierecht. De vrouw (woonachtig in Duitsland) vordert in kort geding de afgifte van de minderjarige aan haar. De man (woonachtig in Nederland) is vanuit Turkije met de minderjarige naar Nederland gereisd. De vrouw stelt dat zij de minderjarige bij de man in Nederland zou ophalen, maar dat de man weigert de minderjarige aan haar af te geven. De vordering is gebaseerd op het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De voorzieningenrechter overweegt kort gezegd dat naar haar oordeel de tekst van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet niet met zich brengt dat in deze zaken de procedure tot afgifte of teruggeleiding evenals bij de kinderrechter bij de voorzieningenrechter in kort geding kan worden gevoerd. Met de verwijzing naar de bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt verwezen naar de wettelijke bevoegdheid zoals vermeld in artikel 254 Rv. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een spoedeisend belang i.c. geen sprake is. De procedure bij de kinderrechter is een procedure waarin op een aanvaardbare termijn een beslissing kan worden verkregen, welke procedure bovendien met veel waarborgen, onder meer ten aanzien van het belang van het kind, is omgeven. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkomst van een dergelijke procedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Daar komt nog bij dat de feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek toewijsbaar is, geenszins tussen partijen vaststaan. Een nader onderzoek naar die feiten en omstandigheden is noodzakelijk, maar voor een dergelijk onderzoek leent de procedure in kort geding zich niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl