Rb. 's-Gravenhage 22 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6631
Het beroep van de vader op artikel 13, lid 1, aanhef en sub b, wordt verworpen. Hoewel in het verleden niet steeds sprake is geweest van toereikende hulpverlening aan en medische verzorging van de minderjarige, stelt de rechtbank vast dat er door de moeder enige tijd voor zijn achterhouding in Nederland verschillende initiatieven zijn ontplooid om de noodzakelijke zorg van en hulp aan de minderjarige te waarborgen. De rechtbank ziet geen aanleiding eraan te twijfelen of de moeder haar toezegging, dat zij de contacten met de hulpverlening na terugkomst van de minderjarige gelijk weer zal oppakken, zal nakomen. Ten aanzien van de door de vader gestelde mishandeling van de minderjarige door de partner van de moeder en mishandeling en verwaarlozing anderszins in het gezin van de moeder overweegt de rechtbank dat er geen, althans onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn waaruit de juistheid van de stelling van de vader blijkt. Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM en artikel 3 en 18 IVRK leidt evenmin tot afwijzing van het verzoek van de moeder. Het is de rechtbank niet gebleken dat door een toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. De rechtbank heeft het belang van de minderjarige gewogen. De vader heeft geen omstandigheden gesteld die tot de conclusie nopen dat toepassing van het Verdrag in het onderhavige geval in strijd is met het bepaalde in artikel 8 EVRM. De rechtbank gaat tot slot, zonder verhoor van de minderjarige, voorbij aan het beroep op artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De minderjarige is nog zeer jong en op grond van de overgelegde stukken stelt de rechtbank vast dat er bij hem sprake is van een zwakke ontwikkeling en een gebrek aan taalvaardigheid, waardoor hij zich moeilijk kan uiten. De rechtbank is er op grond van het dossier van overtuigd dat, voor zover hij al uitlatingen zou doen die duiden op een verzet tegen zijn terugkeer naar België, de minderjarige geen mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat er met zijn mening rekening gehouden wordt. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet opportuun om de minderjarige te belasten met een verhoor.
De uitspraak op rechtspraak.nl