Rb. 's-Gravenhage 15 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4862

Uit de overwegingen van het Hof volgt dat artikel 13 van de Schengengrenscode niet alleen van toepassing is indien verblijf van korte duur wordt beoogd, maar van toepassing is op alle onderdanen van derde landen die een lidstaat wensen binnen te komen door een buitengrens van de Schengenruimte te overschrijden, ongeacht de duur van het voorgenomen verblijf (overwegingen 32, 34, 35 en 38). Voorts volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de overwegingen 38, 39 en 40 dat zowel personen met een tijdelijke verblijfsvergunning, als de in artikel 5, vierde lid genoemde categorieën van personen èn asielzoekers, zoals verzoeker, onder het bereik van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode vallen. Ofwel: wanneer een persoon behorend tot éen van de hiervoor genoemde groepen zich aan de buitengrenzen van een Schengenruimte meldt, moeten de met de grenscontrole belaste ambtenaren hem overeenkomstig artikel 13 van de Schengengrenscode de toegang tot het grondgebied weigeren, tenzij die persoon behoort tot één van de in artikel 5, vierde lid van de Schengengrenscode genoemde uitzonderingen (overweging 39) dan wel die persoon een asielzoeker is, in welk laatste geval de toegang slechts kan worden geweigerd indien die niet in strijd komt met de bepalingen ter bescherming van asielzoekers, zoals het beginsel van non-refoulement (overweging 40). Uit overweging 38 is af te leiden dat het Hof geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat de in artikel 5, eerste lid van de Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden betrekking hebben op een verblijf van tenminste drie maanden per periode van zes maanden. De conclusie luidt dat artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode op verzoeker van toepassing is. Verweerder heeft ten onrechte artikel 3 Vw aan de weigering van (verdere) toegang ten grondslag gelegd. De verdere toegangsweigering kon slechts worden gebaseerd op artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode. De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat verzoeker door verweerder dient te worden behandeld als ware hem de verdere toegang tot Nederland verleend tot vier weken nadat op het administratief beroep is beslist. Nu de (verdere) toegangsweigering onrechtmatig is, is bij de toepassing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw geen sprake geweest van een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Derhalve is de ambtenaar belast met grensbewaking niet bevoegd geweest de voormelde vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De oplegging en voortduring van de opgelegde maatregel zijn derhalve onrechtmatig te achten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen