Rb. 's-Gravenhage 27 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2847
Schriftelijk verzoek tot wraking voorzitter meervoudige strafkamer. Een opmerking van de voorzitter tijdens de ondervraging van verzoeker kan volgens verzoeker niet anders worden uitgelegd, althans gekwalificeerd, dan als partijdig, althans als woorden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer heeft de tijdens de zitting gemaakte geluidsopnamen beluisterd. De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek naar voren gebracht had moeten worden op het moment dat de discussie over de betreffende opmerking van de voorzitter ontstond. Uit de geluidsopnamen is echter overduidelijk gebleken dat het misverstand tussen de voorzitter en de verdediging uit de wereld was. Het gaat naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan dat enige tijd later alsnog een wrakingsverzoek wordt gedaan met - op dat moment - als enige grond de hiervoor bedoelde opmerking. Tijdens de mondelinge behandeling is het wrakingsverzoek weliswaar aangevuld met een tweede grond, maar artikel 513, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het verzoek tot wraking - zo verzoeker ontvankelijk was in zijn verzoek - zou zijn afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl