Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2790

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aard en de hoeveelheid strafbare feiten waarvoor eiser is onherroepelijk is veroordeeld de conclusie rechtvaardigen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit een werkelijke bedreiging vormde voor de openbare orde. Die bedreiging kon ten tijde van het bestreden besluit ook nog voldoende actueel genoemd worden gelet op enerzijds de aard en hoeveelheid van de strafbare feiten die eiser binnen een periode van ongeveer een jaar heeft gepleegd en anderzijds de relatief korte tijdspanne tussen de datum van het laatste gepleegde strafbare feit, te weten 1 maart 2011, en de datum van het bestreden besluit. Resteert de vraag of het gedrag van eiser ten tijde van het bestreden besluit ook een ernstige bedreiging vormde voor de openbare orde. In een periode van ongeveer een jaar is eiser onherroepelijk veroordeeld voor zes diefstallen, twee bedreigingen en openbare dronkenschap. De aard en ernst van de misdrijven, alsmede de korte periode waarbinnen deze zijn gepleegd brengen de rechtbank tot de conclusie dat gesproken kan worden van een ernstige bedreiging. De verwijzing van eiser naar onder meer de uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 14 april 2011 (LJN BQ1518) slaagt niet. Weliswaar had de vreemdeling in die zaak ongeveer een gelijk aantal strafbare feiten gepleegd als eiser, doch de periode waarbinnen die feiten waren gepleegd (ongeveer tweeënhalf jaar) was aanzienlijk langer dan die bij van eiser. Bovendien was deze vreemdeling niet veroordeeld voor bedreiging. De rechtbank gaat voorbij aan eisers stelling dat hij tot het plegen van de strafbare feiten is gekomen om te kunnen overleven alsook aan zijn enkele stelling dat er van feitelijk fysiek geweld nooit is gebleken. Deze omstandigheden worden geacht te zijn meegewogen in het oordeel van de strafrechter. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser als zeeman onevenredig in zijn belangen is geschaad, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk als zeeman werkt. Bovendien verblijft eiser pas sinds een korte tijd in Nederland, zodat hij niet volledig sociaal en cultureel in Nederland is geïntegreerd. Daarnaast is niet gebleken dat hij een gezinsleven in Nederland heeft. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat eisers verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring disproportioneel zijn en hij daardoor onevenredig in zijn belangen is geschaad.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen