Rb. 's-Gravenhage 28 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1320
Besluit waarin wordt aangekondigd op welke wijze de bezuinigingen van het kabinet Balkenende IV en de taakstellingen van het regeerakkoord van 30 september 2010 van het kabinet Rutte (hierna: het regeerakkoord) voor eiseres zullen worden geëffectueerd in de periode van 2012 tot en met 2018. Volgens vaste rechtspraak is de bekendmaking van een voornemen tot gehele of gedeeltelijke beëindiging van subsidie (hierna: de bekendmaking) een besluit. De Rb. verwijst naar de uitspraak van de ABRS van 24 april 2002 (LJN: AE8142, Redactie: lees LJN: AE1842). De Rb. onderschrijft de analoge toepassing van art. 4:51 van de Awb door verweerder op het bestreden besluit en oordeelt dat de bekendmaking een besluit is waartegen de rechtsmiddelen ingevolge de Awb openstaan. De Rb. is van oordeel dat aan een aankondiging van een lagere subsidieverlening in de toekomst bij een langdurige subsidierelatie noch een bepaling in een regeerakkoord noch een vertaling daarvan in een beleidsregel ten grondslag hoeft te liggen. De bevoegdheid van verweerder om in een langdurige subsidierelatie op grond van gewijzigde inzichten in de toekomst een lagere subsidie toe te kennen, vloeit voort uit zijn bevoegdheid tot subsidieverlening. Verweerder mag de motivering van de uitoefening van deze bevoegdheid beperken tot het concrete geval. Noch het gelijkheidsbeginsel noch het rechtszekerheidsbeginsel dwingt verweerder tot het vaststellen van een beleidsregel terzake. Het voorgaande neemt niet weg dat verweerder voor de motivering van de gewijzigde inzichten, die hebben geleid tot zijn besluit om in de toekomst minder subsidie te verlenen, mag verwijzen naar in een regeerakkoord gemaakte afspraken. De Rb. stelt voorop dat de lange duur van de subsidierelatie niet van doorslaggevend belang is bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn als bedoeld in art. 4:51 van de Awb (hierna: de redelijke termijn). De Rb. verwijst naar de uitspraak van de ABRS van 30 december 2009 (LJN: BK7995). Het gaat erom dat de subsidieontvanger in staat wordt gesteld maatregelen te treffen om de gevolgen van de subsidieverlaging te ondervangen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn neemt de Rb. in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de verlaging van de subsidie in gesprekken met eiseres op 3 november 2010, 12 januari 2011 en 25 februari 2011 aan de orde is gesteld. Voorts blijkt uit de stukken dat deze verlaging van de subsidie voor de jaren 2012 en verder in de subsidieverleningsbeschikking van 20 februari 2011 aan eiseres is aangekondigd. Gelet tot slot op de omstandigheid dat de verlaging van de subsidie vanaf 2012 stapsgewijs plaatsvindt te beginnen met een bedrag van € 2.539.000 oordeelt de Rb. de termijn tussen de formele aankondiging bij het primaire besluit en de daadwerkelijke ingangsdatum van de verlaging van de subsidie per 1 januari 2012 niet onredelijk. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtsgevolgen van het thans bestreden besluit niet verder strekken dan de vaststelling dat de redelijke termijn, die verweerder in acht dient te nemen bij een vermindering van de subsidie bij een langdurige subsidierelatie een aanvang neemt. De exacte invulling van de subsidievermindering en de uitgangspunten van de daaraan ten grondslag liggende berekening krijgen geen formele rechtskracht, indien het thans bestreden besluit in rechte standhoudt. De methodiek en berekeningswijze van de vermindering van de subsidie kunnen in het kader van een aangewend rechtsmiddel tegen op aanvraag genomen toekomstige subsidiebesluiten ten volle aan de orde worden gesteld. De Rb. onderschrijft het weergegeven standpunt van verweerder en overweegt dat indien een dergelijk aankondigingsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden, het daarin vervatte kortingspercentage en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, methodiek en berekeningswijze geen formele rechtskracht krijgen. De Rb. verwijst naar de uitspraak van de ABRS van 21 maart 2012 (LJN: BV9478). Verweerder heeft dan ook terecht ter zitting uitdrukkelijk gesteld dat de aangekondigde verdeelsleutel, waarbij het aandeel in de taakstelling van eiseres is vastgesteld op 19,49%, op grondslag van het inmiddels gemaakte bezwaar tegen het subsidiebesluit 2012 van 29 november 2011 (waarin dit percentage is toegepast) volledig dient te worden heroverwogen. In het kader van die bezwaarprocedure kan immers ook worden bezien of bijzondere omstandigheden aanleiding geven om de verdeelsleutel op eiseres niet onverkort toe te passen.
De uitspraak op rechtspraak.nl