Rb. 's-Gravenhage 7 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8063
De Rb. ziet geen reden om eraan te twijfelen dat verweerder de luchtvaartmaatschappij heeft meegedeeld dat hij eisers samen met hun kinderen wil uitzetten. Eisers betwisten ook niet dat verweerder voor 23 mei 2012 een vlucht heeft geboekt voor zowel eisers als de kinderen. Nu niet is gebleken dat de luchtvaartmaatschappij de kinderen niet wil vervoeren, mag verweerder veronderstellen dat de kinderen van eisers met hen kunnen meereizen naar Jordanië. Verder is in geschil of de toegang van eisers tot Jordanië is gewaarborgd, met andere woorden of de autoriteiten van Jordanië eisers toegang zullen verlenen tot dat land na aankomst op het vliegveld. De Rb. wijst in dit verband allereerst op het in 2.5.2. genoemde toetsingskader. Nederland en Jordanië zijn partij bij het Verdrag van Chicago, in annex 9 waarvan (zoals ook volgt uit de door eisers ingeroepen uitspraak van BA9366) bepalingen zijn opgenomen over de removal order. Aangenomen mag dan ook worden dat de autoriteiten van Jordanië in beginsel accepteren dat in voorkomende gevallen personen met gebruikmaking van een removal order worden teruggeleid naar dat land. Gelet hierop acht de Rb. de veronderstelling dat eisers en hun kinderen toegang zullen verkrijgen tot Jordanië niet onredelijk, ook al voeren eisers terecht aan dat verweerder de juistheid van zijn stelling dat de autoriteiten van Jordanië akkoord zijn met teruggeleiding van het gehele gezin niet heeft onderbouwd. De Rb. acht in dit verband mede van belang dat eisers niet hebben gereageerd op het standpunt van verweerder dat ervan kan worden uitgegaan dat de autoriteiten van Jordanië door de luchtvaartmaatschappij vooraf op de hoogte worden gesteld van de komst van eisers en hun kinderen.
De uitspraak op rechtspraak.nl