Rb. 's-Gravenhage 27 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7663

Kort geding. Uitgangspunt is de bevoegdheid van de Minister op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) om te beslissen over de vraag of de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat uitgesproken strafvonnis door Nederland moet worden overgenomen. Noch aan de WOTS, noch aan het VOGP kan een recht op overbrenging worden ontleend en al evenmin een recht op overbrenging op grond van de omzettingsprocedure. Binnen het stelsel van het VOGP en de WOTS heeft de Minister voorts een ruime beleidsvrijheid bij de keuze tussen de omzettingsprocedure en de voortzettingsprocedure. De voorgenomen beleidswijziging, inhoudende dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging per 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie de hoofdprocedure wordt is niet onrechtmatig. Aan de stelling van eiser dat hij erop mocht vertrouwen dat in zijn geval de omzettingsprocedure zou worden gevolgd, wordt voorbij gegaan. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn standpunt dat toepassing van de voortzettingsprocedure in zijn geval feitelijk tot een strafverzwaring zal leiden. Voor overbrenging naar Nederland met het oog op de voortzetting van de tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland is ingevolge artikel 43 lid 2 WOTS immers de instemming van eiser vereist. Zolang hij zich nog in België bevindt, staat het hem vrij om zijn verzoek tot overbrenging naar Nederland in te trekken, zodat hij zijn straf – al dan niet onder toepassing van voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van zijn straftijd – in België kan uitzitten. Van strijd met het VOGP is dus geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen