Rb. 's-Gravenhage 23 februari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7530
COa / artikelen 9 , eerste lid, 11, eerste lid en artikel 13 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Eisers hebben verzocht om vergoeding van woonkosten op grond van artikel 9, lid 1, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat sprake is van een administratieve plaatsing. Gelet op eerdervermelde toelichting op de regelgeving is plaatsing buiten een opvangvoorziening ook mogelijk in de situatie waarin verblijf in een woning buiten de opvangvoorziening vanwege bijzondere (zwaarwegende) medische redenen noodzakelijk moet worden geacht. Het betreft hier een uitzonderlijke situatie waarin vanwege dringende medische redenen continuering van het verblijf in een opvangvoorziening inhumaan of schadelijk voor de gezondheid van de betrokken asielzoeker is. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft beoordeeld of opvang in een azc geschikt is voor eisers gezien het psychiatrisch ziektebeeld van eiser. Eén van de vragen daarbij is of de psychiatrische behandeling kan worden voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder de aanvraag van eisers, in samenhang met de medische verklaring van de psychiater van eiser van 6 januari 2011, welke is overgelegd bij onderhavige aanvraag, verder moeten onderzoeken, ook gelet op de vergaande consequenties van de mogelijke beëindiging van de beschikbare woonruimte in [plaats ]. Verweerder had moeten onderzoeken of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan aanleiding bestond af te wijken van artikel 13, eerste lid, Rva. Met de verwijzing in het verweerschrift naar het BMA-advies dat is opgesteld inzake de aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw, heeft verweerder niet deugdelijk op de stellingen van eisers in beroep gereageerd. Het BMA-advies is opgesteld ter beoordeling van de vraag of eiser in staat kan worden geacht te reizen naar zijn land van herkomst en ziet niet op de vraag of eiser kan reizen met het openbaar vervoer in Nederland, en daaruit blijkt voorts niet dat is onderzocht of sprake is van bijzondere (zwaarwegende) redenen, die tot gevolg hebben dat verblijf in een opvangvoorziening inhumaan of schadelijk is voor de gezondheid van eiser. Het ligt daarbij op de weg van eisers, met name de gemachtigde van eisers, om verweerder in het kader van dit onderzoek van aanvullende informatie van de behandelaars van eiser te voorzien. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl