Rb. 's-Gravenhage 4 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7386

Bij besluit van 18 november 2011 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Voor het bepalen van de duur van 6 maanden verwijst de Rb. naar de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2012 (LJN: BW0580). In die uitspraak was de desbetreffende vreemdeling in bewaring gesteld op 24 mei 2011 en heeft de Afdeling op basis van art. 15, lid 5 van de Terugkeerrichtlijn geoordeeld (zie rechtsoverwegingen 2.2.4 en 2.2.5) dat de periode van zes maanden eindigde op 23 november 2011. De Rb. heeft geen reden te oordelen dat voor het nadien gewijzigde en in onderhavige zaak toegepaste art. 59 Vw 2000 van een andere berekening dient te worden uitgegaan. Dit leidt de Rb. (ambtshalve) tot het oordeel dat het door verweerder gehanteerde beleid (A6/5.3.5 van de Vc 2000) niet overeenkomt met de jurisprudentie van de Afdeling en het door verweerder ingenomen standpunt derhalve niet door de Rb. wordt overgenomen. In zoverre volgt de Rb. voornoemde uitspraak van deze Rb., nevenzittingsplaats Utrecht, waarin is geoordeeld naar aanleiding van het niet in geschil zijn van het standpunt dat zes maanden gelijk is aan een periode van 180 dagen, eveneens niet. Naar het oordeel van de Rb. is het op 10 mei 2012 aan eiser uitgereikte verlengingsbesluit en de daaraan gekoppelde ingangsdatum 17 mei 2012 conform voormelde uitspraak van de Afdeling. Van een onrechtmatig besluit en/of zoals verweerder stelt ‘ambtelijke misslag’ is dan ook geen sprake. De beroepsgrond van eiser dat de ingangsdatum van het verlengingsbesluit niet tijdig zou zijn en dat de bewaring onrechtmatig is, wordt derhalve niet door de Rb. gevolgd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen