Rb. 's-Gravenhage 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van Wilders c.s., die alle in de kern strekken tot aanhouding van de Wetsvoorstellen, zich richten tegen de Staat als wetgever en in essentie neerkomen op een ingrijpen in het wetgevingsproces. Het vaststellen van wetten in formele zin is ingevolge artikel 81 Gw opgedragen aan de regering en Staten-Generaal gezamenlijk, waarbij de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand zal komen moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de daarbij betrokken belangen. De op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen brengt mee dat de rechter niet mag ingrijpen in deze procedure van politieke besluitvorming. In het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1999, NJ 2000, 160 wordt in dat verband voorts nog geoordeeld dat de rechter evenmin in de loop van de procedure die tot een wet in formele zin leidt kan ingrijpen, omdat procedurevoorschriften niet in acht zouden zijn genomen. De burgerlijke rechter in kort geding kan enkel (onderdelen van) een wet in formele zin buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is (zijn) wegens strijd met een ieder verbindende verdragsbepaling (artikel 94 Gw) of met het gemeenschapsrecht. Dit criterium wijst op grote terughoudendheid, temeer nu immers slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven. Deze terughoudendheid vindt haar grond in de hiervoor reeds genoemde scheiding der machten. Het is bij uitstek een taak van de wetgever om alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. Er is geen plaats voor een eigen, ‘volle’ afweging door de burgerlijke rechter. De door Wilders c.s. gestelde onrechtmatigheden c.q. bezwaren met betrekking tot het ESM-Verdrag zijn onderwerp van het politiek debat dat binnen het wetgevingsproces over het ESM-Verdrag reeds is of nog zal worden gevoerd door de huidige volksvertegenwoordigers in welk proces de rechter niet kan ingrijpen. Dit kan de rechter evenmin wanneer zich onjuistheden in voornoemd proces zouden hebben voorgedaan. Voor zover Wilders c.s. zich in dit verband nog hebben beroepen op onrechtmatigheden wegens strijd met de Grondwet staat artikel 120 Gw aan een inhoudelijke toetsing door de (voorzieningen)rechter in de weg. Van de door Wilders c.s. gestelde strijd met internationale bepalingen is geen sprake. Gelet op de toelichting van de Staat en hetgeen hierover is opgenomen in de Memorie van Toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag is naar voorlopig oordeel ten slotte geen sprake van een (voorstel tot) wet in formele zin die onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het gemeenschapsrecht. De door Wilders c.s. ingenomen stellingen kunnen derhalve niet tot het oordeel leiden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de door hen ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl