Rb. 's-Gravenhage 24 februari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5782
Nu het besluit op bezwaar van 3 augustus 2008, inzake de ongewenstverklaring, bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 11 augustus 2011 is vernietigd, dient het besluit in primo van 6 december 2007 te worden aangemerkt als de afwijzing van de asielaanvraag welke thans jegens eiser geldt en waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden. De Afdeling heeft in een uitspraak van 21 maart 2011, nummer 201100493/1/V3, overwogen dat de afwijzing van een asielaanvraag, behoudens uitzonderingen, ingevolge artikel 45 Vw van rechtswege tot gevolg heeft dat het rechtmatig verblijf van de betrokken vreemdeling eindigt en dat hij Nederland binnen de in artikel 62 Vw gestelde termijn dient te verlaten. Hiermee is in de meeromvattende beschikking de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de asielzoeker onrechtmatig is en dat er een terugkeerverplichting is. Verweerder behoeft dan geen afzonderlijk terugkeerbesluit te nemen naast de meeromvattende beschikking. In aansluiting op deze jurisprudentie, is de rechtbank van oordeel dat hetzelfde geldt ten aanzien van het in dit geval uit de meeromvattende beschikking voortvloeiende rechtsgevolg, dat eiser niet naar zijn land van herkomst zal worden uitgezet, omdat hij bij terugkeer het risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Nu dit volgt uit het primaire besluit van 6 december 2007, ligt in dit besluit mede besloten de schriftelijke verklaring zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, Terugkeerrichtlijn. In voornoemd besluit is immers bepaald dat eiser weliswaar ongewenst is verklaard, maar dat artikel 3 EVRM zich op dit moment verzet tegen terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerders schriftelijke reactie van 11 juli 2011 waarin wordt aangegeven dat een verklaring, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, niet zal worden verstrekt, niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb, nu deze mededeling niet is gericht op enig rechtsgevolg en geen wijziging brengt in eisers rechtspositie. Bevestiging in hoger beroep, 91 lid 2 Vw 2000, ABRS nr. 201203066/1/V3, 17-06-2013.
De uitspraak op rechtspraak.nl