Rb. 's-Gravenhage 26 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5551
In eerdergenoemde uitspraken is steeds overwogen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn bekering tot het christendom in Nederland. Aangezien verzoeker heeft aangetoond dat hij op 4 februari 2012 per aangetekende post een verklaring heeft gestuurd naar de Iraanse ambassade te Den Haag, waarin hij heeft aangegeven zich uitdrukkelijk te hebben bekeerd tot het christendom, is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op dit punt. Aangezien niet op voorhand is uitgesloten dat deze kunnen afdoen aan het oordeel in de eerdere besluitvorming, bestaat aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op dit punt. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 8 maart 2012 in de zaak met nummer 201101819/1/V1, betreffende een Iraanse asielzoeker die zich heeft bekeerd tot het christendom, het onderzoek heeft aangehouden in verband met prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 18 februari 2011 heeft gesteld HvJ EU over artikel 9 van de Definitierichtlijn in relatie tot het hebben en invullen van een geloofsovertuiging. Aangezien reeds is komen vast te staan dat verzoeker is bekeerd en evangelisch christen is en voorts niet ter discussie staat dat de Iraanse autoriteiten thans op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker is bekeerd tot het christendom, is de beantwoording van deze aan het HvJ EU gestelde vragen ook van belang te achten voor de beslissing op het onderhavige beroep. Daaraan doet niet af het betoog van verweerder – wat daarvan ook zij – dat nergens uit blijkt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de evangeliserende activiteiten van verzoeker. Aldus moet reeds worden geoordeeld dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen thans niet kan worden ontzegd. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl