Rb. 's-Gravenhage 1 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4732

De eerste asielaanvraag van de vreemdeling is op grond van art. 30, lid 1, aanhef en onder a, van de Vw 2000 afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van die asielaanvraag. De vreemdeling is vervolgens niet binnen de termijn van zes maanden als bedoeld in art. 19, lid 4 en art. 20, lid 2 van de Dublinverordening, overgedragen aan de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft dit aan de vreemdeling bij brief van 2 april 2010 kenbaar gemaakt en voorts is aan hem meegedeeld dat hij, omdat zijn asielaanvraag in rechte onaantastbaar is geworden, opnieuw een asielaanvraag in moet dienen om in de nationale asielprocedure te kunnen worden opgenomen. Hierop heeft de vreemdeling op 17 mei 2010 de onderhavige asielaanvraag ingediend waarna hij bij het bestreden besluit met ingang van 17 mei 2010 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op de b-grond van art. 29 Vw 2000. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat hij zich niet kan vinden in de ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Volgens hem moet die ingangsdatum de datum van zijn eerste asielaanvraag zijn. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat in wezen niets anders is gebeurd dan dat hij de bescherming, die hij vanaf meet af aan vroeg, heeft gekregen op grond van precies dezelfde feiten en omstandigheden zoals hij van begin af aan heeft willen vertellen. De Rb. is van oordeel dat de tekst van art. 44, lid 2 Vw 2000, gelet op het dwingende karakter daarvan, zich ertegen verzet dat bij een inwilligend besluit op een opvolgende asielaanvraag een verblijfsvergunning met ingangsdatum van de eerdere, met toepassing van de Dublinverordening, afgewezen, asielaanvraag kan worden verkregen. Ten tijde van die eerdere afwijzing was immers (nog) niet voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Voor verlening van een verblijfsvergunning asiel met ingang van een eerdere datum (namelijk die van de aanvraag) bestaat dan ook geen wettelijke basis. Met betrekking tot het beroep van de vreemdeling op de artikelen 28 en 32 van de Procedurerichtlijn verwijst de Rb. naar punt 29 van de preambule van de Procedurerichtlijn. Hieruit blijkt dat de Procedurerichtlijn geen betrekking heeft op procedures die vallen onder de Dublinverordening. De vreemdeling kan, nu zijn eerste verblijfsprocedure een niet onder de Procedurerichtlijn vallende Dublinprocedure betrof, dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat in zijn geval op grond van de artikelen 28 en 32 van de Procedurerichtlijn sprake is van een voortzetting van de procedure volgend op de eerste aanvraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen