Rb. 's-Gravenhage 2 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0645
Op basis van de gedingstukken concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker in de eerdere procedure eigenlijk al heeft aangegeven dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat verweerder bij het nemen van het eerdere besluit er ook van is uitgegaan dat verzoeker homoseksueel is. Uit dat eerdere besluit blijkt dat echter geenszins, terwijl homoseksuelen ook destijds in het beleid waren aangemerkt als een groep van personen die verhoogde aandacht vraagt. Ook uit de toetsing door de rechtbank van het eerdere besluit blijkt niet van een beoordeling van de homoseksualiteit van verzoeker als asielgrond. De bij het thans bestreden besluit gemaakte beoordeling van de homoseksualiteit als asielgrond is geen herhaalde beoordeling, en derhalve geen reden om het beoordelingskader zoals dat hierboven is gegeven, toe te passen. Uit hetgeen verzoeker tijdens de gehoren heeft verklaard, blijkt dat hij vreest voor een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker in de eerdere procedure uitsluitend afgewezen op de ongeloofwaardigheid van het relaas, zodat geen inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden van de problemen die verzoeker stelt te vrezen vanwege zijn homoseksualiteit. Nu de opvolgende aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft deze inhoudelijke toets in deze procedure evenmin plaatsgevonden. Echter, nu verweerder de homoseksualiteit van verzoeker als vaststaand beschouwt en gelet op hetgeen in het algemeen ambtsbericht staat vermeld, bezien in het licht van WBV 2008/18 kan zonder nader feitelijk onderzoek van verweerder naar de situatie van verzoeker als homoseksueel in Guinee en het door verzoeker gestelde risico op een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM niet op deugdelijke wijze worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest. Voorts kan in dit verband geen betekenis worden ontzegd aan de door het Duitse Bundesverwaltungsgericht aan het HvJ EU gestelde prejudiciële vragen over godsdienstvrijheid. Deze vragen betreffen onder meer de vraag of pas sprake is van schending van het fundamentele mensenrecht van de godsdienstvrijheid, indien het kerngebied daarvan wordt getroffen en of het kerngebied van de godsdienstvrijheid ook geloofsbetuigingen in het openbaar kan omvatten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met betrekking tot het beleven van de homoseksuele geaardheid op zijn minst soortgelijke beoordelingsvraagstukken spelen. Het bestreden besluit geeft geen blijk van een afweging in deze zin. Nu derhalve ook niet op deugdelijke wijze kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest, heeft verweerder ook om die reden ten onrechte de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het beroep is ook daarom gegrond en het bestreden besluit wordt ook om die reden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl