Rb. 's-Gravenhage 15 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9977
Vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van veroordeelde wegens het feit dat de veroordeelde zich in de eerste plaats na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen en in de tweede plaats weigert mee te werken aan een noodzakelijk geachte klinische behandeling om het recidiverisico te beperken. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie, voor zover de disciplinaire straffen daaraan ten grondslag zijn gelegd, dient te worden afgewezen. Ook voor zover het weigeren van een klinische behandeling aan de vordering van de officier van justitie ten grondslag is gelegd, dient de vordering te worden afgewezen. De rechtbank adviseert het openbaar ministerie aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht te verbinden, ook indien dat inhoudt dat de veroordeelde ambulante behandelingen dient te volgen. Om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een dergelijke bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te verbinden, zal de rechtbank de datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepalen op 22 maart 2012, met de bepaling dat deze eerder in zal gaan indien het openbaar ministerie vóór die datum aan een eventuele bijzondere voorwaarde gestalte heeft kunnen geven dan wel heeft besloten geen bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl