Rb. 's-Gravenhage 1 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8715
Terugverwijzing/nova/bekering/continuïteitsvereiste/refugié sur place De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de zitting van 3 augustus 2010 een origineel doopcertificaat in persoon bij de rechtbank heeft afgegeven. Ter zitting van 3 augustus 2010 heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat dit doopcertificaat ten tijde van het ‘gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden’ van 22 mei 2007 aan verweerder is getoond en dat van dit origineel een kopie in het dossier is gevoegd. Ter zitting van 17 januari 2012 heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de vraag of eiser een origineel doopcertificaat aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd niet in geschil is. Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve vast dat eiser ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag een origineel doopcertificaat heeft overgelegd. Nu eiser behalve dit document ook gedetailleerde verklaringen omtrent zijn bekering tot het christendom en bekering tot het christendom in het algemeen heeft afgelegd acht de rechtbank de bekering van eiser aannemelijk. Er is derhalve sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 2.1, die een inhoudelijke beoordeling van eisers opvolgende aanvraag rechtvaardigen. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat de vraag of eiser heeft voldaan aan het continuïteitsvereiste, als bedoeld in artikel 3.37b, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 niet langer aan de orde is. Nu verweerder in het voornemen, welke overwegingen in het bestreden besluit zijn overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd, bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor toelating als vluchteling toepassing heeft gegeven aan het continuïteitsvereiste is het bestreden besluit reeds hierom onvoldoende gemotiveerd. Ten aanzien van de beoordeling in het kader van het beleid betreffende refugié sur place, neergelegd in paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), betoogt verweerder desgevraagd dat bij de beoordeling wordt betrokken of de betreffende asielzoeker in het land van herkomst reeds enige negatieve belangstelling op zich weet gericht, hetgeen in eisers situatie niet aan de orde is gelet op het feit dat eisers asielrelaas in de eerdere procedure ongeloofwaardig is bevonden, hetgeen in rechte vaststaat. Dit betoog is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om het geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor toelating als vluchteling weg te nemen. De rechtbank acht in dit kader van belang dat volgens paragraaf C2/2.7 van de Vc 2000 van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen niet kan worden verlangd dat zij hun geloofsovertuiging verborgen houden. Tussen partijen is niet in geschil dat evangelisatieactiviteiten een wezenlijk onderdeel van eisers geloof uitmaken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van eiser verlangd mag worden dat hij bij terugkeer in Iran ten aanzien van dat onderdeel van zijn geloofsovertuiging terughoudendheid betracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende gemotiveerd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de beleidsregel dat van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen niet wordt verlangd dat zij hun geloofsovertuiging verborgen houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl