Rb. 's-Gravenhage 16 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3744

Irak, 1F Vluchtelingenverdrag, Baath-partij, personal participation Niet in geschil is dat eiser in de periode juni 1994 tot 1998 divisielid (Udhu Firqa) van de Baath-partij is geweest. In geschil is of de gedragingen waartoe de decreten 59, 70, 74, 96 en 115 opdragen, gepleegd zijn in opdracht of onder verantwoordelijkheid van eiser. Met betrekking tot de decreten 59 en 96 overweegt de rechtbank dat deze zich niet richten tot partijfunctionarissen zoals eiser of tot andere leden van de Baath-partij. Decreet 59 richt zich tot de rechterlijke macht in Irak. Decreet 96 is een ‘uitvoeringsdecreet’ en richt zich tot uitvoerders, zijnde rechters, het openbaar ministerie, het ziekenhuispersoneel en mogelijk de politie. Uit decreet 115 kan niet worden opgemaakt tot wie het decreet zich richt, zodat niet vastgesteld kan worden dat deze zich richt tot een partijfunctionaris zoals eiser, danwel tot andere leden van de Baath-partij. Nu verweerders standpunt dat de leden van de Baath-partij de uitvoerders zijn van de decreten 59, 96 en 115 niet blijkt uit de decreten zelf, noch uit overige door verweerder aangehaalde informatie, en uit de verklaringen van eiser zelf evenmin is af te leiden dat hij opdrachten gaf voor handelingen als omschreven in de decreten 59, 96 en 115, is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerders standpunt dat eiser als divisielid verantwoordelijk is voor de uitvoering van de decreten 59, 96 en 115 zonder nadere motivering niet gevolgd kan worden. Het feit dat eiser de functie van divisielid bekleedde en de verklaring van eiser dat hij als divisielid van de Baath-partij partijinstructies doorgaf aan zijn ondergeschikten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing van verweerders standpunt. De rechtbank is, gelet daarop, van oordeel dat verweerders standpunt dat ten aanzien van de handelingen waartoe de decreten 59, 96 en 115 opdragen sprake is van ‘personal participation’ van eiser, aangezien de handelingen in opdracht of onder verantwoordelijkheid van eiser hebben plaatsgevonden, niet gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Ten aanzien van de decreten 70 en 74 overweegt de rechtbank dat deze zich richten tot de leiding van de lokale sectie van de Baath-partij. Uit de decreten blijkt echter niet dat leiders, zoals eiser, deze bevoegdheden konden delegeren aan ondergeschikten. Daaruit volgt dat eiser niet als opdrachtgever of verantwoordelijke voor de uitvoering van de decreten 70 en 74 kan worden beschouwd, zoals verweerder stelt. Aan eiser is niet tegengeworpen dat hij gedragingen in de zin van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd (paragraaf C4/3.11.3.3 Vc, categorie a) of heeft gefaciliteerd (paragraaf C4/3.11.3.3, categorie b). Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen