Rb. 's-Gravenhage 17 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV1971

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag, werkzaam bij de Armeense Nationale veiligheidsdienst. Eiser, afkomstig uit Armenië, is werkzaam geweest bij Armeense Nationale Veiligheidsdienst (ANV). Uit de informatie waarnaar verweerder heeft verwezen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er in de relevante periode sprake is geweest van marteling als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de handelingen kunnen kwalificeren als misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is verder van oordeel dat de gedragingen kunnen worden aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven en daarmee is voorts gegeven dat in strijd is gehandeld met de doelstellingen van de Verenigde Naties. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser weet moet hebben gehad van het mishandelen en folteren tijdens arrestaties en verhoren door de ANV en door de politie en dat verweerder zich in het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser persoonlijk verantwoordelijk wordt gehouden voor de door de ANV en door de politie gepleegde misdaden. Nu verweerder hetgeen eisers hebben gesteld ter onderbouwing van hun vrees bij terugkeer naar Armenië te worden behandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM in redelijkheid niet geloofwaardig heeft kunnen achten, gelet op het door de minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte individuele ambtsbericht, verzet het bepaalde in dat artikel zich niet tegen uitzetting van eisers naar Armenië. De beroepen zijn ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen