Rb. 's-Gravenhage 4 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV0961

Verweerder heeft op 3 november 2010, onder toepassing van een last onder bestuursdwang de in de Rijnstraat (nabij centraal station Den Haag) gestalde fiets van eiser verwijderd en opgeslagen wegens overtreding van het bepaalde in artikel 5:12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Den Haag (hierna: de APV 2009). De rechtbank stelt vast dat artikel 5:12, eerste lid, van de APV 2009 slechts bepaalt dat verweerder plaatsen kan aanwijzen (...) waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel (...), verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Deze bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als een bepaling, als bedoeld in artikel 156, derde lid, van de Gw, waarbij de gemeenteraad aan het college de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels heeft gedelegeerd. Van nadere regels kan slechts worden gesproken als deze nadere invulling geven aan een reeds door de gemeenteraad gestelde basisnorm die zelf een gebod of verbod inhoudt. Van een bevoegdelijk vastgestelde uitdrukkelijke verbodsbepaling is derhalve geen sprake. Nu geen sprake is van een bevoegdelijk vastgestelde uitdrukkelijke verbodsbepaling in artikel 5:12, eerste lid, van de APV, heeft eiser geen overtreding gepleegd en was verweerder derhalve niet bevoegd om handhavend op te treden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen