Rb. 's-Gravenhage 3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921

De vorderingen richten zich tegen de Staat als wetgever en in essentie strekken ze tot het buiten toepassing doen verklaren van de Wet intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars. De burgerlijke rechter in kort geding kan (onderdelen van) een wet in formele zin slechts buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met een ieder verbindende verdragsbepaling of met het gemeenschapsrecht. Betoogd is dat de onmiskenbaarheidseis hier niet aan de orde is, nu het om een schending van artikel 1 Eerste Protocol gaat. Ter onderbouwing verwijzen FNV KIEM c.s. naar het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2000 (NJ 2001, 407). De voorzieningenrechter oordeelt dat het vervallen van de onmiskenbaarheidseis niet volgt uit genoemd arrest. Dit blijkt uit rechtsoverweging 3.5 van dat arrest en uit latere arresten van de Hoge Raad (Hoge Raad 22 december 2006, LJN: AY8050, Hoge Raad 10 juli 2009, LJN: BI3450 en Hoge Raad 11 juni 2010, LJN: BL8513.). De vraag is of de aanspraak op de rechten onder WWik een eigendom zijn als bedoeld in artikel Eerste Protocol. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft overwogen dat rechten en belangen, waaronder een sociaal zekerheidsrecht, die een vermogenswaarde vertegenwoordigen beschouwd kunnen worden als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aanspraak op een uitkering uit hoofde van een verleende beschikking op grond van de WWik een eigendomsrecht is. De omstandigheid dat tussentijds getoetst wordt of de kunstenaar nog aan bepaalde vereisten voldoet, brengt nog niet als vanzelfsprekend mee dat de uitkering daarom niet met voldoende zekerheid vaststaat. De aanspraak behelst immers meer dan een enkele hoop of verwachting op een uitkering. Het eigendomsrecht op grond van de WWik omvat meer dan alleen het recht op inkomenssteun. De overige rechten vertegenwoordigen immers ook een eigen vermogenswaarde. Het gaat hier om ontneming van eigendomsrechten en niet om regulering daarvan, nu de bestaande eigendomsrechten onder de WWik meer omvatten dan alleen inkomenssteun. Daarnaast komt niet iedereen die voor een WWik-uitkering in aanmerking komt als vanzelfsprekend in aanmerking voor een Wwb- of WIJ-uitkering. Nu sprake is van inmenging in het eigendomsrecht dient beoordeeld te worden of deze inmenging gerechtvaardigd is. Voor de beoordeling van die rechtvaardiging is van belang of de inmenging i) bij wet is voorzien, ii) een gerechtvaardigd algemeen belang dient en iii) proportioneel is. Bij de proportionaliteitsvraag komt aan de orde of er een rechtvaardig evenwicht, “fair balance”, bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Een inmenging moet in het algemeen belang plaatsvinden en mag geen onevenredige last (excessive burden) op de betrokkene leggen. In geval van ontneming van eigendom in het algemeen belang heeft het EHRM geoordeeld dat het ontbreken van enige compensatie in de regel als disproportioneel en daarmee in strijd met artikel 1 Eerste Protocol wordt beschouwd. Vastgesteld wordt dat de Staat gehouden is enige compensatie toe te kennen aan kunstenaars aan wie vóór 1 januari 2012 een WWik-uitkering is toegekend. De inkomenssteun op grond van de Wwb of de WIJ is geen (adequate) compensatie, omdat de ontneming van de bestaande eigendomsrechten meer omvat dan alleen verlies van inkomenssteun. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks de wide margin of appreciation die de Staat toekomt, de Staat niet op toereikende wijze heeft vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waar het gaat om kunstenaars die vóór 1 januari 2012 reeds een uitkering ontvingen op grond van de WWik, nu er niet is voorzien in enig overgangsrecht. De voor deze groep personen gehanteerde overgangstermijn is voor de betreffende kunstenaars volstrekt onvoldoende geweest om hun beroepspraktijk aan de nieuwe situatie aan te passen. Dit leidt tot de conclusie dat de Intrekkingswet jegens hen onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met artikel 1 Eerste Protocol. Een adequate overgangsperiode, waarin de desbetreffende kunstenaar zijn of haar beroepspraktijk kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, kan als voldoende compensatie worden beschouwd. Het is aan de Staat om in het kader van zijn ‘wide margin of appreciation’ dergelijk overgangsrecht vast te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen