Rb. 's-Gravenhage 10 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:30438

gemeenschapsonderdaan, familielid, artikel 8.13 vijfde lid Vb 2000, artikel 35 richtlijn 2004/38/EG, onderzoek Niet is in geding dat de status ‘gemeenschapsonderdaan’ van rechtswege wordt verkregen, en dat die status het recht om betaalde arbeid te verrichten meebrengt. Dat neemt niet weg dat lidstaten, zoals blijkt uit artikel 10, eerste lid van de Richtlijn, geïmplementeerd in artikel 8.13, vijfde lid van het Vb 2000, binnen zes maanden het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, vast moeten stellen. Daaruit volgt dat lidstaten desgewenst, naar aanleiding van een door een vreemdeling gestelde claim dat hij gemeenschapsonderdaan is, de gelegenheid hebben de gegrondheid van die claim te onderzoeken en de vreemdeling de rechten, verbonden aan het zijn van gemeenschapsonderdaan, hangende dat onderzoek kunnen ontzeggen. In dat verband wijst de rechter op het gebruik in artikel 35 van de Richtlijn van de woorden “ontzeggen” Dat sluit niet uit de mogelijkheid dat naar aanleiding van dat onderzoek zal blijken dat een vreemdeling gedurende dat onderzoek de status van gemeenschapsonderdaan had, en dus gerechtigd was arbeid te verrichten. Tegenover het belang van de Nederlandse Staat om de gegrondheid van een gestelde claim naar behoren te kunnen onderzoeken en te voorkomen dat gedurende die periode van onderzoek arbeid wordt verricht door een vreemdeling die daar mogelijk niet toe gerechtigd was, staat in dit geval het belang van verzoeker met arbeid inkomen te kunnen verwerven en een ziektekostenverzekering af te kunnen sluiten. Bij afweging van die belangen, mede in aanmerking genomen de betrekkelijk korte periode waarbinnen de Staat het verblijfsrecht van verzoeker vast moet stellen, laat de rechter het belang van de Nederlandse Staat prevaleren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen