Rb. 's-Gravenhage 6 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BW5788

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkele feit dat eisers aanspraak maken op verstrekkingen op grond van de Rvb niet mee dat zij bij deze procedure geen belang meer hebben. Op grond van de Rva kan aanspraak worden gemaakt op meer, althans andere verstrekkingen dan op grond van de Rvb, zodat als gevolg van deze procedure een materiële verbetering in de rechtspositie van eisers kan optreden. In beroep hebben eisers aangevoerd dat opvang en voorzieningen om in het levensonderhoud te voldoen, ook in het geval van mensen die geen asielzoeker zijn, voorliggende voorzieningen zijn waar het COA in voorziet. Dit volgt volgens eisers uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010 (LJN: BM0956). Het beroep van eisers op deze uitspraak gaat niet op reeds omdat het in die zaak handelde om toelating tot maatschappelijke opvang en sprake was van medische stukken waaruit bleek van een combinatie van ernstige lichamelijke en geestelijke klachten. Eisers hebben niet onderbouwd dat in hun situatie sprake is van vergelijkbare omstandigheden. Eisers hebben voorts aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eisers in dit verband op de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 6 april 2010 en het Gerechtshof van 11 januari 2011 niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 november 2010 (LJN: BO6348). Uit deze uitspraak volgt dat er voor verweerder geen algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen en hun kinderen opvang te verlenen. Gelet hierop heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007 (nr. 200605521/1) in deze zaak op het standpunt kunnen stellen dat zich daarin geen dusdanig bijzondere omstandigheden voordoen, afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd, dat aan eisers opvang dient te worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank houdt verweerders afwijzende beslissing geen schending in van artikel 8 EVRM, reeds omdat uit het dossier blijkt dat eisers zijn opgenomen in de vrouwenopvang te Alkmaar. Het beroep van eisers op het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2011 leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerders beslissing niet leidt tot een situatie dat aan eisers het verblijf in Nederland wordt ontzegd. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroep op overweging 12 en artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn evenmin. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres inmiddels rechtmatig verblijf heeft en dat haar minderjarige zoon de Nederlandse nationaliteit heeft, waardoor zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan de Terugkeerrichtlijn. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen