Rb. 's-Gravenhage 16 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0654
referendum; appellabel besluit; belanghebbende; spoedeisendheid voorziening; weigering referendum wegens het spoedeisend karakter van het besluit - Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de raadsbeslissing tot afwijzing van het inleidend verzoek tot het houden van een referendum aan te merken als een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter acht ook de raadsbeslissing tot afwijzing van het initiatiefvoorstel van de gemeenteraadsleden een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Deze raadsbeslissing leidt er immers toe dat er geen initiatiefvoorstel meer voorligt over de bouw van een stadskantoor, terwijl een dergelijk initiatiefvoorstel op grond van de Referendumverordening een vereiste is om een referendum over dat onderwerp te kunnen houden. Aangezien deze beide besluiten aldus tezamen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd een referendum te houden en op goede gronden jegens deze verzoekers heeft geweigerd het in beginsel bestaande recht op een referendum te honoreren, zijn deze besluiten, in onderlinge samenhang bezien, in het kader van de Referendumverordening op rechtsgevolg gericht. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat uit de Referendumverordening volgt dat niet op een initiatiefvoorstel dient te worden beslist totdat definitief is beslist op het inleidend verzoek tot het houden van een referendum. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verzoekers ten aanzien van de bestreden besluiten aangemerkt kunnen worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Deze vraag dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend te worden beantwoord. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op grond van de aangevoerde factoren in redelijkheid kunnen aannemen dat het concept-raadsbesluit een spoedeisend karakter heeft, en kunnen beslissen dat gezien artikel 3, tweede lid, sub i, van de Referendumverordening geen referendum over het onderwerp in dat concept-raadsbesluit zal worden gehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl