Rb. 's-Gravenhage 22 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9702

Eiseres is van Turkse nationaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat eiseres frauduleus heeft gehandeld. Eiseres heeft betoogd dat de door haar in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid haar krachtens artikel 6, eerste lid, van het Turks Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (het Associatiebesluit) recht op verblijf geven. De rechtbank overweegt dat het legale karakter van de arbeid van een Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Associatiebesluit een stabiele en niet voorlopige situatie op de arbeidsmarkt en, daarmee, een onomstreden verblijfsrecht veronderstelt. Tijdvakken van arbeid die een Turks onderdaan heeft vervuld op basis van een verblijfsvergunning die hem enkel was verleend op grond van een frauduleuze handeling die tot zijn veroordeling heeft geleid, berusten niet op een stabiele situatie aangezien de betrokkene gedurende de betrokken tijdvakken geen legaal verkregen verblijfsrecht had (arresten van 5 juni 1997 inzake Kol, C 285/95, van 11 mei 2000 inzake Savas, C 37/98, en van 29 september 2011 inzake Unal, C 187/10). Uit voormelde arresten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel frauduleus handelen van een Turks onderdaan onvoldoende is om gedurende de tijdvakken waarin arbeid is verricht, te spreken van een omstreden verblijfsrecht. Daarvoor is vereist dat de frauduleuze handeling heeft geleid tot een veroordeling. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat tegen eiseres aangifte is gedaan van valsheid in geschrifte, het opzettelijk onjuist opgave doen en oplichting, maar er is niet gebleken dat vervolging is ingesteld, laat staan dat eiseres is veroordeeld. Vernietiging in hoger beroep, ABRS nr. 201200765/1/V3, 05-06-2013.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen