Rb. 's-Gravenhage 13 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9209

Weigering verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd regulier (met aantekening ‘langdurig ingezetene’) omdat volgens verweerder eisers verblijfsrecht (verblijfsvergunning onder de beperking ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij zijn zoon) tijdelijk van aard is. Niet in geschil is dat de toegekende verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000. Dit brengt mee dat, gelet op artikel 3.5, derde lid, Vb 2000 het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van die verblijfsvergunning anders is bepaald. Verweerder heeft blijkens het daartoe strekkende besluit bij de verlening van de verblijfsvergunning niet heeft vermeld dat de bij dit besluit verleende verblijfsvergunning tijdelijk van aard is. Anders dan verweerder stelt, kan uit de motivering van het besluit evenmin worden afgeleid dat beoogd is een tijdelijk verblijfsrecht te verlenen. In dit verband komt aan het in paragraaf B2/10.4 Vc 2000 neergelegde beleid niet de door verweerder gewenste betekenis toe. Daartoe wordt overwogen dat in het besluit niet (uitdrukkelijk) naar dit beleid, voor zover daarin de tijdelijkheid van het aan eiser toekomende verblijfsrecht aan de orde is gesteld, is verwezen en niet bij beleidsregel van artikel 3.5, derde lid Vb 2000, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, kan worden afgeweken. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen